WIJDEMEREN - De gemeente Wijdemeren heeft terecht bijstand van een inwoonster teruggevorderd, omdat zij lange tijd boodschappen van haar moeder kreeg en dit niet had gemeld. De ontvangen boodschappen leverden de inwoonster een structurele en behoorlijke besparing in de kosten van levensonderhoud op. Het bedrag van de terugvordering wordt wel verlaagd van ruim € 7.000,- naar ruim € 2.800,-. Dit heeft de Centrale Raad van Beroep vandaag geoordeeld.

Terugvorderen verplicht
Wie niet zelf kan voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, zoals de kosten van een woning, voedsel en kleding, kan aanspraak maken op bijstand. Als je met inkomen of vermogen, of op een andere manier zelf voor een deel die kosten kunt betalen, heb je recht op minder bijstand. Een bijstandsgerechtigde moet alles wat van belang is voor het recht op bijstand en de hoogte van de uitkering aan de gemeente melden. Dit wordt de inlichtingenverplichting genoemd.

Dat de inwoonster structureel boodschappen van haar moeder ontving en daarmee bespaarde op de kosten van levensonderhoud was van belang voor het recht op bijstand. Zij had dit dus moeten melden, maar heeft dit niet gedaan. Toen de gemeente daar achter kwam, moest de gemeente de bijstand met terugwerkende kracht herzien. Zij hield daarbij rekening met de lagere kosten van levensonderhoud en vorderde de te veel betaalde bijstand terug. Een gemeente is dat bij schending van de inlichtingenverplichting op grond van de Participatiewet verplicht te doen.

Als een gemeente door schending van de inlichtingenverplichting niet precies kan vaststellen hoeveel op de kosten is bespaard, moet zij een schatting maken. De Nibudnormen geven een algemeen geaccepteerd richtsnoer om te bepalen hoeveel een huishouden nodig heeft om in bepaalde kosten te voorzien. Daarom mocht de gemeente deze norm gebruiken om te schatten wat de besparing van de inwoonster is geweest en hoeveel minder bijstand zij nodig heeft gehad. De inwoonster heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze schatting onjuist zou zijn. Zij heeft geen duidelijkheid gegeven over wat zij precies van haar moeder gekregen heeft.

Boodschappen zijn geen giften
Gemeenten mogen volgens de Participatiewet beleid voeren welke giften en tot welk bedrag deze giften vrij gelaten worden en niet op de bijstand in mindering worden gebracht. In het systeem van de Participatiewet zijn ontvangen boodschappen van een derde echter geen giften. Dat de Staatssecretaris van Sociale zaken en Werkgelegenheid in een brief aan de Tweede Kamer ontvangen boodschappen mogelijk als gift heeft aangemerkt, maakt dat niet anders. Daarvoor is een wetswijziging nodig. De gemeente hoefde de boodschappen dus niet als giften buiten beschouwing te laten. De gemeente hoefde bij het bepalen van de besparing door de boodschappen ook geen rekening te houden met het giftenbeleid van de gemeente. Volgens dat beleid kunnen incidentele en vrij beschikbare giften worden vrijgelaten. De boodschappen die de inwoonster van haar moeder kreeg voldeden niet aan dat beleid: die boodschappen kreeg de inwoonster structureel en dus niet incidenteel en die kon zij ook niet als geld vrij besteden.

Verschil met Voedselbank
De Voedselbank Gooi en Omstreken verstrekt op verzoek en na een intake voedselpakketten als noodhulp. Om voor een voedselpakket in aanmerking te komen, wordt een financiële beoordeling gemaakt. Het gaat in eerste instantie vaak om een periode van drie maanden en gebruikers van de Voedselbank kunnen begeleid worden om de zelfredzaamheid te vergroten. De bedoeling is dat het een tijdelijke ondersteuning is. In deze zaak was de verstrekking van boodschappen door de moeder, anders dan de voedselpakketten van de Voedselbank, geheel vrijblijvend en op geen enkele wijze gebonden aan een voorafgaande aanvraag, voorwaarden, een financiële drempel of een tijdsbeperking. Daarom zijn dit geen gelijke gevallen en slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet.

Eindoordeel
De Centrale Raad van Beroep concludeert dat de gemeente Wijdemeren terecht de bijstand heeft teruggevorderd ter hoogte van de Nibudnorm. Wel wordt het bedrag van de terugvordering verlaagd, omdat de gemeente zelf een gedeelte van de totale periode van drie jaar heeft laten vallen en omdat de gemeente over een ander gedeelte van die drie jaar onvoldoende bewijs heeft geleverd dat de inwoonster boodschappen ontving. Daarom heeft de Centrale Raad van Beroep de terugvordering vastgesteld op een bedrag van € 2.835,41. Verder moet de gemeente € 200,- aan immateriële schadevergoeding betalen vanwege een onrechtmatig huisbezoek. Het college moet ook de proceskosten van de inwoonster betalen.

De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht. Het oordeel in deze zaak is een eindoordeel. Partijen kunnen tegen deze uitspraak dan ook geen hoger beroep instellen.

Zaaknummer 19/4858 PW, 21/925 PW, 21/1948 PW, ECLI:NL:CRVB:2021:1918

Dit is een persbericht op basis van de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Bij verschil tussen dit persbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend. Voor eventuele vragen over dit persbericht kunt u zich wenden tot de afdeling communicatie, tel: 088 361 42 38 of e-mail: communicatie.crvb@rechtspraak.nl.